woensdag 10 augustus 2011

Recensie Frans de Waal, Een tijd voor empathie. Wat de natuur ons leert over een betere samenleving, uitgeverij Contact, Amsterdam/Antwerpen 2009

‘The new best thing in town: empathy’

Frans de Waal, Een tijd voor empathie. Wat de natuur ons leert over een betere samenleving, uitgeverij Contact, Amsterdam/Antwerpen 2009, 302 blz., € 24,95. Oorspronkelijke titel: The Age of Empathy; Nature’s Lessons for a Kinder Society. Nederlandse vertaling: Guus Houtzager.

Eén van de kleine geneugtes van het leven bestaat eruit om stiekem Undercover Boss te volgen op RTL4, terwijl ik op dat moment geacht word te kijken naar high-brow programma’s als Nieuwsuur en Zembla. In Undercover Boss zien we namelijk hoe de directeur van een miljoenenbedrijf zijn pak in de kast hangt en zich incognito op de werkvloer begeeft. Op deze manier kan hij ongemerkt bekijken hoe zijn medewerkers werkelijk hun werkzaamheden uitvoeren en hoort hij hoe zij hun werkgever beoordelen. Aan het eind van het programma realiseert de directeur zich – vaak in tranen – hoe hard zijn werknemers zich voor hem inzetten en hoe weinig waardering hij daar in het verleden voor heeft laten blijken. In de slotscène, waarin hij zijn ware identiteit aan het personeel openbaart, toont hij berouw en zet hij een nieuwe koers uit met ruimte voor kinderdagopvang, bonusregelingen en betere arbeidsomstandigheden. De vioolmuziek van RTL4 omlijst de boodschap nog eens: de directeur ziet niet langer de cijfers, maar de mensen. Hebzucht is uit, empathie is in.

De bedenkers van Undercover Boss hebben goed geluisterd naar de centrale boodschap die Frans de Waal verkondigt in zijn nieuwste boek: Een tijd voor empathie. Wat de natuur ons leert over een betere samenleving. In dit boek, in het Engels verschenen onder de titel The Age of Empathy; Nature’s Lessons for a Kinder Society onderzoekt De Waal wat voor licht de biologie werpt op de voorwaarden voor een humane samenleving. Welke samenleving past het beste bij de mens, gekeken naar onze biologische constitutie? Het uitgangspunt dat De Waal hierin aanhoudt, is zijn overtuiging dat het juristen, economen en politicologen aan methoden ontbreekt om objectief naar hun eigen samenleving te kijken. De enige manier om na te denken over een samenleving die recht doet aan ons als menssoort, is door gebruik te maken van de kennis die bijeengebracht is door de psychologie, biologie en neurowetenschap. De Waal - van origine bioloog en nu hoogleraar psychologie aan de Emory University in Atlanta en directeur van Living Links (onderdeel van het Yerkes National Primate Research Center) – behandelt in dit boek voor deze vraag de disciplines waar hij thuis in is: de biologie en de psychologie.

Het is erg interessant om een politieke theorie onderbouwd te zien worden aan de hand van wetenschappelijke resultaten over de biologische constitutie van de mens. De Waal, die al dertig jaar onderzoek doet naar het gedrag van mensapen en op basis hiervan parallellen met het gedrag van de mens onderzoekt, geeft in ieder hoofdstuk overtuigende voorbeelden voor zijn belangrijkste stelling: de mens is een groepsdier, uiterst coöperatief, gevoelig voor onrecht en soms oorlogszuchtig, maar meestal vredelievend. Het type samenleving dat het meest recht doet aan deze natuur, is een samenleving waarin empathie, het zich verplaatsen in de emoties van andere mensen en op basis daarvan gehoor geven aan emotionele banden, als essentieel gezien wordt in de omgang tussen mensen. De reden dat onze huidige samenleving in plaats daarvan gevoed wordt door opvattingen dat de mens ‘van nature’ oorlogszuchtig, zelfzuchtig en uiterst individueel is aangelegd en daarom een samenleving propageert waarin economische onafhankelijkheid en jacht naar status als hoogste deugden gezien worden, komt voort uit wat De Waal drie ‘oorsprongsmythen’ noemt.

De eerste onjuiste mythe over onze natuurlijke staat beschrijft hoe onze voorouders over de savanne heersten. Uit deze opvatting komt de gedachte voort dat de mens van nature gewend is bovenaan de voedselketen te staan en geen rekening te houden met ondergeschikten. In werkelijkheid, zo toont de Waal in drie hoofdstukken aan, moeten primaten als groep opereren en constant rekening houden met elkaars behoeften om te kunnen overleven. Deze reflexen gaan terug tot de diepste en oudste lagen van onze hersenen die we met veel dieren gemeen hebben, niet alleen met zoogdieren (denk aan de scholen waarin vissen leven). Veiligheid, aldus de Waal, is de allerbelangrijkste reden voor iedere vorm van een sociaal leven, en kan alleen bereikt wordt door uit te gaan van andermans fysieke en geestelijke behoeften. Het moge duidelijk zijn dat de aanname van Thomas Hobbes, homo homini lupus, bij De Waal zou moeten veranderen in homo homini homo.

De tweede oorsprongsmythe houdt in dat de menselijke samenleving een vrijwillige schepping is van de autonome mens. Zo wordt het ‘sociale contract’ van Rousseau, waarin de samenleving wordt voorgesteld als een door onderhandeling geregeld compromis, door De Waal in twee hoofdstukken verpulverd: het gedachtegoed dat aan deze stelling voorafgaat, berust in het geheel niet op feiten. In werkelijkheid zijn alle primaten voor hun overleving volstrekt van elkaar afhankelijk en zouden zij niet eens iets kúnnen uitruilen, laat staan hierover kunnen discussiëren. Sterker nog, hoe groter het samenlevingsverband waarin dieren leven (zoals de mens nu doet), hoe kwetsbaarder de soort.

De derde onjuiste oorsprongsmythe houdt in dat onze soort al zolang hij bestaat, oorlog voert. De Waal ziet in een marcherend leger echter geen agressie tot uiting komen, maar een illustratie van het instinct van de kudde in uiterste staat van paraatheid. Onderzoek van de antropologe Elizabeth Marshall Thomas naar de zogenaamde ‘Bosjesmannen’ in Zuidwest-Afrika (een groep mensen die al duizenden jaren op dezelfde manier leeft in een grasrijk, open ecosysteem en als zodanig te vergelijken is met hoe onze voorouders op de savannes geleefd moeten hebben) wijst uit dat zij voedsel en water delen met andere stammen, hun kinderen uithuwelijken aan naburige groepen en geen wapens vervaardigen. Gecombineerd met De Waals eigen onderzoek naar agressie onder primaten (dat zeker voorkomt, maar nooit als allesbepalend fundament in de onderlinge omgang) vermoedt hij dat de voorouders van de mens lange perioden van vrede en harmonie kenden, afgewisseld met korte intervallen van gewelddadige confrontatie. De tegenovergestelde visie, zoals verwoord door Winston Churchill na afloop van de Tweede Wereldoorlog (‘Het verhaal van het menselijk ras is een verhaal van oorlog. Afgezien van korte, onbestendige intervallen is er nooit vrede op de wereld geweest’) houdt voor De Waal dan ook geen stand: ‘Je eigen verwanten doden brengt op de lange duur nooit succes’. De vorige Amerikaanse regering met haar war on terror komt er in dit boek dan ook bekaaid vanaf.

Nadat deze drie stellingen zijn geponeerd, is het tijd om De Waals eigen visie op een goede samenleving voor de mens naar voren te brengen: om recht te doen aan wat ons definieert als nazaat van de primaten, is het essentieel dat iedere vorm van samenleven tussen mensen gestuurd wordt vanuit de opvatting dat wij alleen in combinatie met de ander kunnen overleven. Uit ieder onderzoek onder mensen komt dan ook naar voren dat men niet in de rijkste landen het gelukkigst is, maar in landen waar het meeste vertrouwen onder burgers heerst. De ‘onzichtbare hand’ van de vrije markt is dan geen helper van de mens om zijn leven onder optimale omstandigheden te kunnen leiden, maar juist een verstikkende vuist die onze menselijke natuur onderdrukt. Alleen een samenleving waarin ieder individu met elkaar verbonden is en in onderlinge afhankelijkheid samenleeft, kan een samenleving zijn waarin aan onze diepste behoeften voldaan wordt.

De kracht van dit boek schuilt in de drift en overtuigingskracht van de auteur en het enthousiasme waarmee hij zijn redeneringen illustreert met aansprekende parallellen uit het dierenrijk. Tegelijkertijd moet de lezer het boek om dezelfde reden een paar keer wegleggen: De Waal slaat zijn publiek soms bijna murw met zijn krachtige optreden en gepassioneerde manier van redeneren. Daarnaast maakt hij weliswaar gebruik van onderzoeken die zijn eigen uitkomsten ondersteunen, maar lezen we – afgezien van Richard Dawkins, die ooit over De Waal zei dat deze zich ‘dichterlijke vrijheden permitteerde ten aanzien van dierlijke vriendelijkheid’ – weinig andere biologen over bovenstaande resultaten, ook niet als onderdeel van de redenering om aan te tonen dat zijn stelling hier juist boven staat. Afgezien hiervan echter, is Een tijd voor empathie een prachtig boek om met kerst (de enige periode die in de buurt komt van de ideale samenleving voor de mens!) aan een bevriende jurist, econoom of filosoof te geven. Gecombineerd met een seizoen van Undercover Boss, natuurlijk.

dinsdag 9 augustus 2011

Recensie Rob Wijnberg, Nietzsche en Kant lezen de krant. Denkers van vroeger over dilemma’s van nu. Amsterdam, De Bezige Bij, 2009

Rob Wijnberg, Nietzsche en Kant lezen de krant. Denkers van vroeger over dilemma’s van nu. Amsterdam, De Bezige Bij, 2009, 21 x 13, 288 p., € 18,90.

In de nacht van 4 op 5 november 2008 koos Amerika met Obama niet alleen voor een nieuwe president, het koos ook voor een nieuw metafysisch wereldbeeld. Althans, volgens filosoof Rob Wijnberg. Hij stelt dat Bush de wereld primair bekeek als het toneel van een niet-aflatende strijd om macht, in de lijn van Thomas Hobbes. Als hobbesiaanse realist zag Bush de wereld als een machtstrijd tussen goed en kwaad, waarin het recht van de sterkste werd uitgevochten in de war on terror. Obama daarentegen volgde de opvatting van Immanuel Kant die stelde dat de mens juist wel in staat is om deze voortdurende belangenstrijd te ontstijgen, en wel met behulp van de rede. Yes we can” wordt dan „Yes we can think”. Amerika heeft in deze nacht dan ook het realisme van Hobbes ingeruild voor het idealisme van Kant en daarmee gekozen voor een nieuw wereldbeeld.

Bovenstaande analyse is typerend voor het nieuwste boek van Rob Wijnberg: Nietzsche en Kant lezen de krant. Denkers van vroeger over dilemma’s van nu. In dit boek werpt Wijnberg (1982), essayist en columnist van nrc.next en NRC Handelsblad aan de hand van filosofen licht op vragen uit de actualiteit. Die vragen zijn onder andere: Wat is de vrijheid van meningsuiting? Hoe is de opkomst van Wilders in Nederland te verklaren? Wat betekent de verkiezing van Obama voor Amerika en voor de wereld? Deze vragen beantwoordt hij in de vorm van essays, die al eerder in nrc.next zijn verschenen. Het boek is opgedeeld in zeven hoofdstukken, met titels als ‘vrijheid’, ‘god en geloof’ en ‘identiteit’. Per hoofdstuk wijdt hij zes tot zeven essays aan het thema in kwestie, waarin hij per essay een bepaald aspect ervan onder de loep neemt. Zo analyseert hij in het hoofdstuk ‘vrijheid’ onder anderen het probleem van de keuzevrijheid (denk aan het dertigersdilemma), pleit hij in een ander essay voor het afschaffen van de vrijheid van godsdienst, en onderzoekt hij in het laatste essay van het hoofdstuk de grenzen van de vrijheid van meningsuiting. In ieder stuk gebruikt hij de opvattingen van een filosoof om het onderwerp in kwestie in een bepaald kader te plaatsen.

De manier waarop Wijnberg een onderwerp uitwerkt wordt duidelijk in het voorbeeld van de inleiding uit het essay „Het einde van de Republikeinse metafysica”. Hierin onderzoekt Wijnberg welk wereldbeeld de Republikeinen en de Democraten aanhangen aan de hand van het boek Morele Helderheid (2008) van de Amerikaanse filosofe Susan Neiman (1955). Zoals we zagen hangen de Republikeinen het hobbesiaans realisme aan en de Democraten het kantiaans idealisme. Vervolgens constateert Wijnberg dat de Republikeinen het onmogelijke doen door twee tegengestelde wereldbeelden te combineren. Enerzijds stellen zij de wereld voor als een gevaarlijke jungle waar zij zich als hobbesiaanse realisten alleen maar tegen kunnen wapenen, tegelijkertijd stellen zij zich juist ook op als kantiaanse idealisten, door te denken dat zij diezelfde wereld kunnen veranderen. Je zou dus kunnen zeggen, stelt Wijnberg, dat rechts het idealisme van links inpikt. In Nederland, zegt hij, zien we hetzelfde bij Geert Wilders: enerzijds presenteert deze Nederland als een land in oorlog, anderzijds pretendeert hij alle oplossingen in huis te hebben om deze oorlog te winnen en het land te vrijwaren van moslims.

Het is duidelijk dat de methode van het inzetten van filosofische wereldbeelden om hedendaagse vraagstukken te duiden, waar Wijnberg zich in dit boek van bedient, hem ligt. Hij heeft talent voor het maken van de vertaalslag van abstracte filosofie naar een concept dat toepasbaar is voor het analyseren van een maatschappelijke situatie. In helder taalgebruik weet hij in een paar zinnen de kern van een filosofisch werk samen te vatten. Ook als de interpretaties van Wijnberg niet overtuigen biedt hij nog steeds een goede intelligente samenvatting van een filosofische stroming die de lezer ertoe uitnodigt om zelf verder te lezen in het onderwerp. Daarnaast weet hij de lezer in de meeste essays aan het denken te zetten en in sommige gevallen echt te overtuigen van zijn interpretatie. Zo bespreekt hij in het essay „Waarom Wouter Bos een film zou moeten maken” Rorty’s Contingentie, Ironie en Solidariteit (1984). In dit boek betoogt Rorty dat morele waarheden niet bestaan. Het concept van rechtvaardigheid staat op losse schroeven, omdat niemand definitief kan vaststellen wat rechtvaardig en wat onrechtvaardig is. Het gevolg? Het ontstaan van de ironische mens, die worstelt met de vraag hoe hij zonder theoretische kennis toch nog kan streven naar een betere samenleving. De oplossing, zegt Rorty, is een wending van de theorie naar het verhaal omdat overtuigingen niet voortvloeien uit rationele overwegingen maar uit beelden.[1] Deze visualisatie kan de ironische mens een nieuw ethisch ‘vocabulaire’ meegeven. Wouter Bos, zegt Wijnberg, is de postmoderne politicus pur sang die de wereld wel wil verbeteren maar zich niet achter een bepaalde ideologie wil plaatsen. Om deze reden wordt Bos door zijn tegenstanders verweten dat hij geen politieke daadkracht toont. Wijnbergs advies aan Bos is dan ook, in navolging van Rorty, om een film te maken waarin hij mensen voor zijn overtuiging wint. Door het tonen van beelden kan hij voor zijn publiek een nieuw moreel sentiment scheppen en de mensen gevoelig maken voor de problematiek die de PvdA wil aanpakken.

In de meeste essays heeft Wijnberg gedegen onderzoek gedaan en toont hij een objectieve kijk op de hedendaagse maatschappij. In sommige passages is het echter wel erg duidelijk wat zijn persoonlijke voorkeuren zijn, en dat hij zich in dat geval ook heeft laten leiden door deze voorkeuren. Zo schiet hij in bijna ieder essay de politieke opvattingen van Geert Wilders af, die – als we Wijnberg moeten geloven – in geen enkele filosofische positie stand zou houden. Het is echter een gemiste kans dat Wijnberg zich bijna niet met de linkerkant van het politieke spectrum in Nederland bezighoudt. Waar is bijvoorbeeld het communisme gebleven dat de voorlopers van GroenLinks ooit aanhingen? Is dat nog steeds zichtbaar in de opvattingen van de huidige partij of niet? Als iemand claimt de gehele maatschappij filosofisch in kaart te brengen, dan wil de lezer meer zien dan alleen een portret van de Partij voor de Vrijheid en diens voorman. Een ander voorbeeld waarin Wijnberg zijn eigen voorkeur sterk laat blijken is in het essay „Hoe onze huwelijksopvatting de emancipatie van vrouwen belemmert”. In dit stuk haalt hij het essay Just Love? Marriage and the Question of Justice (1998) aan van Pauline Kleingeld. Hierin pleit de filosofe ervoor om het huwelijk niet slechts als een liefdesverbond te zien maar ook als een verhouding waarin naar rechtvaardigheid gestreefd dient te worden, zoals dat ook gebeurt in het politieke, economische en publieke domein. Een meer rechtvaardige kijk op het huwelijk, zegt Kleingeld, kan de positie van de vrouw verbeteren. Wijnberg zet het onderwerp helder uiteen en toont zich een objectieve beschouwer tijdens de uitleg van Kleingelds bewering, maar hij voegt dan nog snel de laatste zin toe: “Goed voor de emancipatie van vrouwen zal dat zeker zijn. Maar de romanticus in mij protesteert in stilte.” Met deze opmerking negeert hij zijn eigen essay én dat van Kleingeld, want deze puur romantische kijk op het huwelijk is precies de houding die zij ter discussie stelt. Toch is Nietzsche en Kant lezen de krant. Denkers van vroeger over dilemma‟s van nu meer dan de moeite waard voor iedereen die nieuwsgierig is naar de filosofische achtergronden van hedendaagse politieke en sociale dilemma’s. Het is Wijnberg gelukt om in de meeste essays een interessante koppeling te maken tussen filosofie en de actualiteit, waarbij hij goede samenvattingen geeft en heldere standpunten inneemt. Daarmee voldoet hij ruimschoots aan zijn eigen doel: het wekken van nieuwsgierigheid. Nu hoeft alleen Geert Wilders het boek nog maar te lezen.



[1] Denk aan de impact die de beroemde foto van het Vietnamese meisje Kim Phuc in 1972 had op het Amerikaanse volk. Op deze foto is te zien hoe de naakte Phuc huilend een napalmaanval probeert te ontvluchten. Het was deze foto – en niet de cijfers van het aantal gesneuvelde Vietnamezen – die de Amerikanen ertoe aanzette in opstand te komen tegen de oorlog die hun land voerde.

zaterdag 7 februari 2009

Koninginnedag - Een Impressie

Of ik een strijkbout voor één euro wil? De jongen kijkt me vriendelijk doch beslist aan. Hij duwt zijn grote brillenglazen terug zijn neus op. Ik weet toch ook wel dat één euro eigenlijk voor niets is? Het broertje ziet mij en ruikt bloed, want ook hij komt nu naderbij. Hij laat zijn buidel rinkelen. De muntstukken, verdiend met kleurplaten, oude schaatsen en een incomplete legpuzzel, laten het trotse geluid horen van twee jongemannen die vanavond hun ouders de ogen uit gaan steken. 'Zelf verdiend, pap! Zelfs de strijkbout hebben we verkocht, weetjewel, die waarvan mama zei dat ze hem nooit meer wilde zien!'.

Nu is het zo dat ik nooit mijn kleren strijk. Broeken kreuken vanzelf uit, ondergoed kan niet tegen de stoom en bij bloezen moet je gewoon alle knoopjes dicht doen. Simpel. Toen ik vroeger mijn moeder zelfs de vaatdoeken zag strijken, wist ik het zeker: dat nooit. Maar hoe leg je dat uit aan twee geboren handelaars van nog geen tien? Hoe leg je het bovendien aan jezelf uit? 'Wilde je die twee jongens niet eens een euro geven voor een strijkbout? Jij hebt ook niet veel gevoel voor kinderen, hè?' En dat voor een juf. Nee, gekocht moest er worden, en snel.

Wanhopig laat ik mijn blik gaan over de plaid, waarop de broers hun waar hebben uitgestald. Een knuffel van Mickey Mouse dan? Nee, hij mist een oog. O, daar ligt een verpakking van Scrabble. Jammer dat ik niet goed tegen mijn verlies kan. Gelukkig zie ik op dat moment de Olijke Tweeling. Ik moet de leeftijd van deze jongens hebben gehad, toen ik de boeken uit die reeks stuklas. 'Ik geef jullie er één euro vijftig voor', zeg ik. De broers kijken elkaar aan, en daarna richt hun geamuseerde blik zich op mij. Daar doen ze het voor. De Olijke Tweeling gaat in mijn tas, we zeggen gedag en ik loop door. Jammer dat zij onbetaalbaar zijn.

De Dag Doorkomen

Geregeld vraag ik mij af hoe ik eigenlijk de dag doorkom. Dat bedoel ik niet in de emotionele of filosofische zin van het woord, maar puur praktisch. Ik weet dat er mensen zijn die echt twee linkerhanden hebben. Zij kunnen nog geen blik verf vastpakken, of ze zitten al onder de spetters. Voorlopig schaar ik me echter nog niet onder hun categorie. In mijn geval is het meer een vorm van mentale onhandigheid. Dankzij of ondanks mijn handelen, gebeuren er ineens de meest merkwaardige dingen. Een korte samenvatting.

Plotseling een blauwe plek op je knie zien en je afvragen wanneer en hoe die daar gekomen is. Naar de keuken lopen en onderweg tegen drie verschillende kastjes stoten. In de winkel staan en spontaan vergeten wat je ook al weer kopen wilde. Dan maar een lijstje de volgende keer. Eenmaal thuis inderdaad de vuilniszakken vergeten blijken te zijn, terwijl het jouw beurt was om ze te kopen. De orchidee te veel en de cactus te weinig water geven, en toch verbaasd zijn als ze uitdrogen. Als het erg hard regent, en de paraplu nergens te vinden is, toch naar buiten gaan en dus met ijskoude voeten thuiskomen. Een kledingkast in aanbouw zien staan in je kamer, waar je liever niet aan begint. Je oorbellen zien wegspoelen door de wasbak, net toen je dacht dat het niet zo slim zou zijn om ze daar neer te leggen. Naar de dokter bellen als je ziek bent, en dan te horen krijgen dat de dokter zelf ook ziek is. Tegen beter weten toch met die jongen uitgaan, die het - inderdaad, je vriendinnen zeiden het al - niet blijkt te zijn. Een dure jurk laten stomen, en hem gratis een maatje kleiner terug krijgen. Koken, maar niet met de smaak die je moeder aan hetzelfde gerecht geeft. En dan hebben we het nog niet eens gehad over valpartijen, mislukte pannenkoeken en te krappe schoenen.

Achteraf gezien had ik het aan kunnen zien komen. Het gebeurde tijdens een les handenarbeid, op de basisschool nog. De meisjes naaiden een jurkje voor hun pop, de jongens een korte broek voor hun Ken. Ik had al een pop, dus ik hoefde haar alleen maar aan te kleden. Hoe echter bij juist mijn pop het hoofd onder de jurk kon verdwijnen - en vastgenaaid bleek - is altijd een raadsel voor de juf gebleven. Ik wist echter dat mijn handen iets zouden doen, dat buiten mij om zou gaan. Gelukkig maar. Want hoewel mijn pop maar half was aangekleed, was ze wel geheel zichzelf. En haar hoofd? Ach, op de juiste momenten weet ze precies wat ze moet doen.