dinsdag 9 augustus 2011

Recensie Rob Wijnberg, Nietzsche en Kant lezen de krant. Denkers van vroeger over dilemma’s van nu. Amsterdam, De Bezige Bij, 2009

Rob Wijnberg, Nietzsche en Kant lezen de krant. Denkers van vroeger over dilemma’s van nu. Amsterdam, De Bezige Bij, 2009, 21 x 13, 288 p., € 18,90.

In de nacht van 4 op 5 november 2008 koos Amerika met Obama niet alleen voor een nieuwe president, het koos ook voor een nieuw metafysisch wereldbeeld. Althans, volgens filosoof Rob Wijnberg. Hij stelt dat Bush de wereld primair bekeek als het toneel van een niet-aflatende strijd om macht, in de lijn van Thomas Hobbes. Als hobbesiaanse realist zag Bush de wereld als een machtstrijd tussen goed en kwaad, waarin het recht van de sterkste werd uitgevochten in de war on terror. Obama daarentegen volgde de opvatting van Immanuel Kant die stelde dat de mens juist wel in staat is om deze voortdurende belangenstrijd te ontstijgen, en wel met behulp van de rede. Yes we can” wordt dan „Yes we can think”. Amerika heeft in deze nacht dan ook het realisme van Hobbes ingeruild voor het idealisme van Kant en daarmee gekozen voor een nieuw wereldbeeld.

Bovenstaande analyse is typerend voor het nieuwste boek van Rob Wijnberg: Nietzsche en Kant lezen de krant. Denkers van vroeger over dilemma’s van nu. In dit boek werpt Wijnberg (1982), essayist en columnist van nrc.next en NRC Handelsblad aan de hand van filosofen licht op vragen uit de actualiteit. Die vragen zijn onder andere: Wat is de vrijheid van meningsuiting? Hoe is de opkomst van Wilders in Nederland te verklaren? Wat betekent de verkiezing van Obama voor Amerika en voor de wereld? Deze vragen beantwoordt hij in de vorm van essays, die al eerder in nrc.next zijn verschenen. Het boek is opgedeeld in zeven hoofdstukken, met titels als ‘vrijheid’, ‘god en geloof’ en ‘identiteit’. Per hoofdstuk wijdt hij zes tot zeven essays aan het thema in kwestie, waarin hij per essay een bepaald aspect ervan onder de loep neemt. Zo analyseert hij in het hoofdstuk ‘vrijheid’ onder anderen het probleem van de keuzevrijheid (denk aan het dertigersdilemma), pleit hij in een ander essay voor het afschaffen van de vrijheid van godsdienst, en onderzoekt hij in het laatste essay van het hoofdstuk de grenzen van de vrijheid van meningsuiting. In ieder stuk gebruikt hij de opvattingen van een filosoof om het onderwerp in kwestie in een bepaald kader te plaatsen.

De manier waarop Wijnberg een onderwerp uitwerkt wordt duidelijk in het voorbeeld van de inleiding uit het essay „Het einde van de Republikeinse metafysica”. Hierin onderzoekt Wijnberg welk wereldbeeld de Republikeinen en de Democraten aanhangen aan de hand van het boek Morele Helderheid (2008) van de Amerikaanse filosofe Susan Neiman (1955). Zoals we zagen hangen de Republikeinen het hobbesiaans realisme aan en de Democraten het kantiaans idealisme. Vervolgens constateert Wijnberg dat de Republikeinen het onmogelijke doen door twee tegengestelde wereldbeelden te combineren. Enerzijds stellen zij de wereld voor als een gevaarlijke jungle waar zij zich als hobbesiaanse realisten alleen maar tegen kunnen wapenen, tegelijkertijd stellen zij zich juist ook op als kantiaanse idealisten, door te denken dat zij diezelfde wereld kunnen veranderen. Je zou dus kunnen zeggen, stelt Wijnberg, dat rechts het idealisme van links inpikt. In Nederland, zegt hij, zien we hetzelfde bij Geert Wilders: enerzijds presenteert deze Nederland als een land in oorlog, anderzijds pretendeert hij alle oplossingen in huis te hebben om deze oorlog te winnen en het land te vrijwaren van moslims.

Het is duidelijk dat de methode van het inzetten van filosofische wereldbeelden om hedendaagse vraagstukken te duiden, waar Wijnberg zich in dit boek van bedient, hem ligt. Hij heeft talent voor het maken van de vertaalslag van abstracte filosofie naar een concept dat toepasbaar is voor het analyseren van een maatschappelijke situatie. In helder taalgebruik weet hij in een paar zinnen de kern van een filosofisch werk samen te vatten. Ook als de interpretaties van Wijnberg niet overtuigen biedt hij nog steeds een goede intelligente samenvatting van een filosofische stroming die de lezer ertoe uitnodigt om zelf verder te lezen in het onderwerp. Daarnaast weet hij de lezer in de meeste essays aan het denken te zetten en in sommige gevallen echt te overtuigen van zijn interpretatie. Zo bespreekt hij in het essay „Waarom Wouter Bos een film zou moeten maken” Rorty’s Contingentie, Ironie en Solidariteit (1984). In dit boek betoogt Rorty dat morele waarheden niet bestaan. Het concept van rechtvaardigheid staat op losse schroeven, omdat niemand definitief kan vaststellen wat rechtvaardig en wat onrechtvaardig is. Het gevolg? Het ontstaan van de ironische mens, die worstelt met de vraag hoe hij zonder theoretische kennis toch nog kan streven naar een betere samenleving. De oplossing, zegt Rorty, is een wending van de theorie naar het verhaal omdat overtuigingen niet voortvloeien uit rationele overwegingen maar uit beelden.[1] Deze visualisatie kan de ironische mens een nieuw ethisch ‘vocabulaire’ meegeven. Wouter Bos, zegt Wijnberg, is de postmoderne politicus pur sang die de wereld wel wil verbeteren maar zich niet achter een bepaalde ideologie wil plaatsen. Om deze reden wordt Bos door zijn tegenstanders verweten dat hij geen politieke daadkracht toont. Wijnbergs advies aan Bos is dan ook, in navolging van Rorty, om een film te maken waarin hij mensen voor zijn overtuiging wint. Door het tonen van beelden kan hij voor zijn publiek een nieuw moreel sentiment scheppen en de mensen gevoelig maken voor de problematiek die de PvdA wil aanpakken.

In de meeste essays heeft Wijnberg gedegen onderzoek gedaan en toont hij een objectieve kijk op de hedendaagse maatschappij. In sommige passages is het echter wel erg duidelijk wat zijn persoonlijke voorkeuren zijn, en dat hij zich in dat geval ook heeft laten leiden door deze voorkeuren. Zo schiet hij in bijna ieder essay de politieke opvattingen van Geert Wilders af, die – als we Wijnberg moeten geloven – in geen enkele filosofische positie stand zou houden. Het is echter een gemiste kans dat Wijnberg zich bijna niet met de linkerkant van het politieke spectrum in Nederland bezighoudt. Waar is bijvoorbeeld het communisme gebleven dat de voorlopers van GroenLinks ooit aanhingen? Is dat nog steeds zichtbaar in de opvattingen van de huidige partij of niet? Als iemand claimt de gehele maatschappij filosofisch in kaart te brengen, dan wil de lezer meer zien dan alleen een portret van de Partij voor de Vrijheid en diens voorman. Een ander voorbeeld waarin Wijnberg zijn eigen voorkeur sterk laat blijken is in het essay „Hoe onze huwelijksopvatting de emancipatie van vrouwen belemmert”. In dit stuk haalt hij het essay Just Love? Marriage and the Question of Justice (1998) aan van Pauline Kleingeld. Hierin pleit de filosofe ervoor om het huwelijk niet slechts als een liefdesverbond te zien maar ook als een verhouding waarin naar rechtvaardigheid gestreefd dient te worden, zoals dat ook gebeurt in het politieke, economische en publieke domein. Een meer rechtvaardige kijk op het huwelijk, zegt Kleingeld, kan de positie van de vrouw verbeteren. Wijnberg zet het onderwerp helder uiteen en toont zich een objectieve beschouwer tijdens de uitleg van Kleingelds bewering, maar hij voegt dan nog snel de laatste zin toe: “Goed voor de emancipatie van vrouwen zal dat zeker zijn. Maar de romanticus in mij protesteert in stilte.” Met deze opmerking negeert hij zijn eigen essay én dat van Kleingeld, want deze puur romantische kijk op het huwelijk is precies de houding die zij ter discussie stelt. Toch is Nietzsche en Kant lezen de krant. Denkers van vroeger over dilemma‟s van nu meer dan de moeite waard voor iedereen die nieuwsgierig is naar de filosofische achtergronden van hedendaagse politieke en sociale dilemma’s. Het is Wijnberg gelukt om in de meeste essays een interessante koppeling te maken tussen filosofie en de actualiteit, waarbij hij goede samenvattingen geeft en heldere standpunten inneemt. Daarmee voldoet hij ruimschoots aan zijn eigen doel: het wekken van nieuwsgierigheid. Nu hoeft alleen Geert Wilders het boek nog maar te lezen.



[1] Denk aan de impact die de beroemde foto van het Vietnamese meisje Kim Phuc in 1972 had op het Amerikaanse volk. Op deze foto is te zien hoe de naakte Phuc huilend een napalmaanval probeert te ontvluchten. Het was deze foto – en niet de cijfers van het aantal gesneuvelde Vietnamezen – die de Amerikanen ertoe aanzette in opstand te komen tegen de oorlog die hun land voerde.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten